Books & Bubbles

FEB.28th Inspiration & Tips

Author

Literair vragenvuur met Shira Keller

In deze serie probeer ik het dagelijkse literaire landschap in kaart te brengen door de huidige generatie schrijvers, literaire critici en boekenliefhebbers aan de tand te voelen over hun relatie met die eeuwig betoverende en curieuze objecten: boeken. Wat zijn hun lievelingsboeken, gekke leesgewoonten en favoriete boekwinkels? Wat is het meest ontwrichtende of verwarrende boek dat ze ooit hebben gelezen? En met welke grote schrijver zouden ze wel een avondje willen stappen?

Ergens halverwege een wirwar  van theefeestjes, verstrengelende klimop, confronterende spiegels, doolhoven die nergens heen leidden en vlakten die onder mijn voeten braken, kwam ik uit bij een klif en tuurde in een peilloze diepte. Volgens mij leerde ik Shira Keller daar kennen, die me in haar stoïcijnsheid deed denken aan de rups uit Wonderland. “Ik denk dat je maar gewoon moet springen” zei ze, geheel in stijl paffend. Ik had het fijner gevonden als ze had gezegd dat ik nog wat langer met de magische wezens mocht dansen en picknicken. De zee onder mijn voeten was onbekend, met het bos had ik tenminste nog een haat-liefde verhouding. Er stegen fluisteringen uit de boomtoppen; liefdevol, narrig, verdrietig en boos. Ik had niet door dat ik zo gehavend uit de takken wirwar was gebroken dat iedere kop thee zo weer uit mijn wonden zou zijn gegutst. Daar moest ik eerst Shira voor tegenkomen, die een knik naar de diepte gaf. Ik klauwde me vast in de rotsen en bestudeerde het niets verradende wateroppervlak. Ze kreeg een uitdrukking die iets leek te zeggen als: listening isn’t always your forté, is it?

Als ik het café binnenstap zit Shira geheel in het Shira Kelleriaans ((“Ik heb eigenlijk een hekel aan interviews”) met een petje op naast een kop koffie over haar notitieboekje gebogen, alsof de tijd haar is vergeten. Het winterlicht doorschijnt haar, maar dat staat haar goed. Met Shira kletsen is soms ietwat ongemakkelijk omdat de gesprekken altijd raken aan iets essentieels. Pas als je met iemand praat die geen woord te veel zegt, realiseer je je dat het merendeel van ons dagelijkse taalgebruik een ritueel is waarin je babbelt zoals cavia’s dat doen, met veel geruststellend gepruttel. Voor iemand die aangeeft zelf een masker te dragen snoeit, kapt en knipt ze behoorlijk vlot door dikke pleistoceens-gevormde lagen bullshit heen.

Het betekent dat ik eerst drie lagen Venetiaanse snuisterijen af moet stropen en op tafel moet leggen (en onder ogen moet komen dat ik van nature zo katachtig ben dat het een wonder is dat ik er geen snorharen van heb gekregen), maar dan gaan de gesprekken ook ergens over. Ik word bevangen door een mengeling van bewondering en dankbaarheid: een gevoel dat je krijgt van mensen die je ondanks jezelf stug de goede kant op blijven duwen en in een staat van groeipijn brengen waar geen zwembad met verbloemende flacons of egaliserende gezichtscrèmes tegenop kan.

Shira Keller (1985) studeerde in 2008 af als theatermaker van de Toneelacademie in Maastricht met een fascinatie voor jonge Duitse toneelschrijvers en debuteerde in 2012 met haar boek M. Het won in 2013 De Academica Literatuurprijs voor het beste Nederlandstalige debuut. De jury noemde het: “Een prachtig debuut, waarin het grote klein wordt gehouden. Strak en beeldend zonder een woord teveel.” Marja Pruis prijsde M. om de sterke, uitgebeende stijl en de cadans van Shira’s zinnen, die werd onderstreept door de strakke compositie van de roman [literatuurwetenschappelijk-idioom voor rollin in the deep]. Shira is er persoonlijk van overtuigd dat boeken die goed zijn gelezen en gewaardeerd worden, of ze nu zijn geschreven door een man, een vrouw of een konijn. Ze verdeelt haar tijd tussen Amstelveen en een Zwitsers bergdorpje, waar ze goochelshows assisteert en de boeken van Jeroen Brouwers leest. Toen Abdelkader Benali een bom op de nieuwe generatie jonge schrijvers wilde gooien om ze een dosis engagement bij te brengen schreef ze een uitstekende verdediging van de ietwat anti-(r)evolutionair ogende merites van de Kakapo (ik moest zelf ook even over het verband nadenken).

Wat is het boek dat iedereen gelezen moet hebben voor hij of zij sterft?

“Ik val bij dit soort vragen vaak in herhaling, word er zelf een beetje moe van. Het ding is: ik ben nogal obsessief aangelegd. Als ik iets ontdek wat ik goed vind, bijt ik me erin vast. Zo luister ik nu al drie maanden de hele dag door exclusief naar Amy Winehouse. Ik heb van een paar schrijvers ongeveer alles gelezen. Maar dat betekent ook dat ik nog helemaal niet zoveel schrijvers ken. Ik probeer het wel. Steeds als ik in de boekwinkel sta denk ik: deze gaat het misschien wel worden, mijn nieuwe ontdekking. Maar boeken stellen me bijna altijd teleur. Er zijn zo ongelooflijk veel middelmatige boeken. Hoe dan ook, ik val dus in herhaling, want ik noem het in ongeveer elk interview, maar het meest indrukwekkende wat ik tot nu toe las is de Indië trilogie van Jeroen Brouwers. Die drie boeken zijn ook de enige die ik steeds weer herlees. Ik denk dat de kern van een goed boek voor mij te maken heeft met authenticiteit. Ieder woord dat die man schrijft is waar. Niet op een autobiografisch niveau, maar menselijk.”

Waar gaat de trilogie over?

“Het gaat over verschillende periodes uit Brouwers leven. Het eerste boek, Het verzonkene, speelt zich af in zijn vroege kindertijd, de periode waarvan je je eigenlijk niets herinnert. Het zijn paradijselijke herinneringen aan Indië, op basis van foto’s, dromen, geuren, indrukken. Het gaat er voor mij over dat je veel van je herinneringen pas achteraf vormt. Dat een herinnering dus eigenlijk veel meer zegt over wie je nu bent dan wie je toen was. Het tweede boek, Bezonken rood (1981), gaat over zijn tijd in de kampen in Indonesië en de verhouding met zijn moeder. Mijn vader heeft ook in die kampen gezeten. Ik vond het een schokkend mooi boek. Het derde boek, De zondvloed, gaat over zo ongeveer over alles. Het lijkt een poging om zijn hele leven in een vorm te gieten. Brouwers neemt je mee in een soort stream of consciousness, waarin alles met alles in verband staat, het springt van hot naar her en alles haakt steeds weer in elkaar. Dat vind ik diep ontroerend, hoe hij de motieven in zijn leven probeert bloot te leggen. Het is een vorm van zingeving. Uiteindelijk is dat wat je doet als je een boek schrijft, de werkelijkheid zoals jij hem ervaart in een vorm gieten. Verbanden leggen. Jezelf voorhouden dat dingen gebeuren met een reden, dat er een begin is en een einde. Niet de willekeur, de chaos, waar we allemaal zo panisch voor zijn. Ik denk dat alle kunst in wezen een vorm van zingeving is, in ieder geval dan toch voor de kunstenaar zelf.”

Van welk verhaal was je onverwacht ontzettend diep onder de indruk?

“Ik ontdekte dus een tijdje geleden Maarten Biesheuvel. Die kan er ook wat van. Het lijkt alsof er geen enkel filter op zijn teksten zit, geen redactie. Het is ongepolijst, wanhopig en vreselijk aandoenlijk, hoe hij schrijft. Het eerste verhaal dat ik van hem las was De angstkunstenaar (1987), en dat is hij ook echt, iemand die zijn angst tot een kunst verheft. Het is een prachtig verhaal, simpelweg over een man die bang is. Als hij over wat zand loopt stelt hij zich voor hoe het uit de woestijn is gewaaid, hoe er iemand in dat zand is gestorven van de dorst. Hij krijgt het gevoel dat zijn haarzakjes allemaal zandkorreltjes zijn. Het zijn geen grappige vondsten, dat hadden het ook kunnen zijn, maar dat zijn het niet; het is echt. Die man is compleet naakt als hij schrijft, figuurlijk dan. Toen ben ik alles van hem gaan lezen. Er zitten heel slechte verhalen tussen. Gruwelijk lelijke zinnen. Ik vind dat zijn uitgever dat destijds fantastisch gedaan heeft. Hier moet je niet mee gaan klooien.”

Bij welk boek kwam je thuis?

“Toen ik op de middelbare school zat was ik diep onder de indruk van De steppewolf (1927) van Hermann Hesse. Ik weet niet eens meer precies waar het over gaat, zie alleen beelden voor me, het is in mijn herinnering een diepdonker, surrealistisch boek. Een psychedelische trip van een man met misantropische trekken, die erachter probeert te komen wie hij is. Een soort Alice in Wonderland in het kwadraat. Het was de eerste keer dat ik me diep begrepen voelde door een auteur. Ik las vervolgens alles van Hesse. Siddhartha (1927) als laatste. En toen was ik van mijn Hesse-obsessie genezen. Ik vond het pretentieus, zweverig, larmoyant. Laatst bladerde ik in Narziss en Goldmund en had ik hetzelfde gevoel. Ik voelde me bedrogen. Misschien is het wel gewoon puberliteratuur. Of ga je je op een bepaalde leeftijd schamen voor sentimentaliteit. Ik durf De Steppewolf niet opnieuw te lezen, omdat ik bang ben dat ik er ook teleurgesteld in zal zijn.”

Wat is het meest ontwrichtende boek dat je ooit hebt gelezen?

“Ik vond Speeldrift (2006) van Juli Zeh behoorlijk ontwrichtend. Het is een keihard boek over een meisje op de middelbare school [Ada] dat, zoals veel mensen rond die leeftijd, een grondige hekel heeft aan hypocrisie. Ik herkende mezelf erg in haar. Als middelbare scholier was ik ook behoorlijk onbuigzaam als het om eerlijkheid en principes ging. Het gaat over onze wereld, waarin religie is uitgestorven en de moraliteit is teruggebracht tot een wetboek. Als het leven geen zin heeft, dan kun je het maar beter zien als een spel, is Ada’s uitgangspunt. Ze is nogal hedonistisch. Die instelling maakt haar compleet onkwetsbaar. Het spel neemt ernstige vormen aan: psychisch vernietigt ze de mensen om haar heen. Ik vond het een indringend boek. Het is afstandelijk opgeschreven, heel bruut. Uiteindelijk gaat het ook weer om zingeving, en het legt daarbij een serieus filosofisch probleem van deze tijd bloot: waar kun je nog, zonder hypocriet te zijn, voor leven, als je nergens in gelooft? Als alles willekeur is? Voor mij is het een mogelijk antwoord op de vraag waarom puberjongens denken: ‘ik ga naar Syrië om bommen te gooien.’ Want wat heb je nou helemaal te verliezen?”

Hoe zou je je eigen boekenverzameling omschrijven?

[Grapt] “Als een gewicht dat aan mijn been hangt. Ik heb tachtig procent van de boeken die ik in mijn kast heb staan nog niet gelezen. En ik blijf er maar nieuwe bij kopen. Ik lees heel langzaam, en ook niet elke dag. De boeken die ik lees beïnvloeden teveel wat ik schrijf. De laatste tijd heb ik aan één stuk door verhalen gelezen van Maarten Biesheuvel. Nou, dan merk ik dat mijn personages allemaal kleine Maarten Biesheuveltjes worden. En dan besluit ik weer een tijdje niet te lezen. Soms werp ik een schuldbewuste blik op mijn boekenkast.”

Stel je mocht ontwaken als een personage in een verhaal, wie zou je dan willen zijn?

“Oei, dat vind ik een moeilijke vraag. Personages intrigeren me eigenlijk alleen als ik mezelf in hen herken. Wacht, sorry dat klinkt narcistisch. Het is misschien eerder andersom. Ik denk dat je je met een beetje moeite in iedereen zou moeten kunnen inleven, en dat je alle personages die je intrigeren dus eigenlijk kunt zijn, bént, zonder daarvoor van lichaam te hoeven wisselen. Nu draaf ik een beetje door hoor, maar misschien zit in ons allemaal wel een blauwdruk van Het Grote Geheel. [lacht] Nee maar serieus, misschien kunnen we ons daarom zo laten raken door een fictief personage. Omdat de schrijver bij vlagen even iets aanraakt wat ‘echt’ is, en dus universeel.”

Hoe zijn je leeservaringen veranderd naarmate je ouder bent geworden?

“Mijn focus is verschoven naar stijl, naar vorm. Als kind was ik me daar niet van bewust. Nu kan een plot alleen me niet meer raken. Ik laat me minder snel verleiden om in een verhaal te verdwijnen. Dat lukt alleen als ik de noodzaak voel die de schrijver drijft. Noodzaak, authenticiteit, universaliteit, echtheid, sorry voor al die grote woorden hoor. Ik kan het niet anders uitleggen, ik ben geen literatuurwetenschapper. Ik ben helemaal niet per se slecht in analyseren, maar ik probeer daar ver uit de buurt te blijven als het om literatuur gaat. Op de toneelschool raakte ik bedreven in het analyseren van mijn werk, maar onder invloed van mijn eigen analytische lens werd het vlak en oninteressant. Dodelijk saai. Dat is ook waarom ik ben gestopt met het maken van theater, omdat ik mijn eigen werk te klinisch vond, te bedacht. Kennis kan je behoorlijk in de weg zitten. En daarom ben ik gaan schrijven, omdat ik daar geen fuck vanaf wist. Ik had amper iets gelezen, wist niets over literaire stijlmiddelen en dat soort gedoe, nog steeds niet, ik kan met geen mogelijkheid een literaire analyse voor de Groene schrijven op basis van mijn literaire achtergrond. Dat maakt me soms best onzeker, maar het is een bewuste keuze. Ik geloof dat schrijven, kunst in het algemeen, gaat over wat puur en wat van jou is, dat valt niet te leren. Dat heeft niets te maken met kennis, dat is puur intuïtief. Ik kies ervoor om de intuïtie te bewaken.”

Zijn er bepaalde taboes in de literatuur of onderwerpen waar van jou meer over geschreven mag worden, heb je het idee dat er onderwerpen zijn die schrijvers onbewust nog steeds schuwen?

“Ik kan niet spreken voor andere schrijvers, maar ik schuw zelf eigenlijk niets. Maar daar moet ik bij zeggen dat ik taboes niet per definitie interessant vind. Je moet in ieder geval niet over iets gaan schrijven alleen om een taboe te doorbreken. Het kan me niet schelen over welk thema iemand schrijft, als het voor diegene maar belangrijk genoeg is om aan te kaarten. Op de toneelschool kregen we te horen: “Je moet iets te zeggen hebben als theatermaker, je moet de wereld iets te melden hebben. Wat jij maakt moet niet alleen maar leuk zijn, je moet er iets mee willen veranderen aan de maatschappij.” Ik klapte daar van dicht. Achteraf ben ik het gewoon niet met die aansporing eens. Ik geloof niet dat je een kunstenaar moet dwingen maatschappelijk stelling te nemen. Daarom vind ik die discussie die Abdelkader Benali aanzwengelde zinloos: je kunt mensen niet aanzetten tot engagement. Engagement zonder persoonlijke noodzaak is waardeloos. Andersom vind ik wel dat je als schrijver de verantwoordelijkheid hebt je uit te spreken zodra je je wel met een maatschappelijk thema engageert.”

Zijn er boeken die je zou aanraden als remedie tegen hypocrisie?

“Dat is een interessante vraag. Ik denk dat ik de boeken van Alex Boogers (De tijger en de kolibrie, Alle dingen zijn schitterend) zou aanraden. Je zou ze als een openlijke aanklacht tegen hypocrisie kunnen zien. Alex Boogers is ook zo’n typisch voorbeeld van een schrijver die je gelóóft. Hij heeft een hekel aan alles wat gekunsteld is. Ik ook trouwens. Alleen heb ik het probleem dat ik mezelf ook vreselijk fake vind. Als ik dan zou gaan preken dat mensen niet zo huichelachtig moeten doen zou dat ook hypocriet zijn. De meeste mensen proberen zich voortdurend een houding aan te meten. Dat is helemaal niet erg, maar er zijn dus maar weinig mensen die daar geloofwaardig stelling tegen kunnen nemen. Ik denk dat Alex Boogers dat kan. Zijn boeken, ook zijn laatste boek Alleen met de goden (2015), gaan over een genadeloos straatmilieu. Een omgeving waarin je moet knokken om het te redden. En tegelijkertijd hebben die boeken een enorme tederheid in zich. Hij schrijft vaak over vaderschap, de ontroerende kwetsbaarheid van een kind. Ondanks alle lelijkheid overwint altijd weer de schoonheid, de hoop.”

Welk boek las zo goed als je lievelingsmuzikant [Amy Winehouse] klinkt?

“Het is dat we het net over hem hebben, maar dan denk ik eigenlijk ook aan Alex Boogers. Het zijn allebei een soort buitenbeentjes in de scene, mensen met een andere stem, figuurlijk dan, een andere achtergrond dan hun collega’s. De muziek van Amy Winehouse en de boeken van Boogers hebben een verbetenheid in zich – het zijn gevechten. Er zit misschien een soort minderwaardigheidscomplex onder, nee meer dan dat, zelfhaat. Dat maakt hun werk confronterend. Ik word automatisch een soort voyeur, omdat ze zo compromisloos, haast masochistisch, in hun hart laten kijken. Ook bij hen is het weer heel ongepolijst, soms ronduit lelijk. Net als Biesheuvel hebben ze begrepen dat het oninteressant is iets ‘perfects’ te maken; het gaat er alleen maar om zo eerlijk, zo zuiver mogelijk te zijn. Niets te verbloemen. Ik vind dat iets om na te streven, om schaamteloos lelijk te durven zijn als kunstenaar of schrijver.”

Met welke (grote, gekke, idiosyncratische) schrijver zou je wel een avondje willen stappen?

[Lacht] “Ik krijg niet echt een juichend gevoel van het vooruitzicht om met een schrijver te stappen, zeker niet met iemand tegen wie ik opkijk. Ik zou alleen maar dichtklappen vrees ik. Ik ben eerlijk gezegd ook niet zo geïnteresseerd in schrijvers, ik ben veel meer geïnteresseerd in hun boeken. Maar ik zou wel een briefwisseling willen voeren. Waarom niet met Hermann Hesse. Ik voelde me zo bedrogen toen ik zijn boeken met terugwerkende kracht sentimentele troep vond. Ik zou waarschijnlijk opnieuw boos op hem worden. Maar dat levert vast een mooie discussie op.”

Inspiration & Tips


#interview #literairvragenvuur

Read more articles

Inspiration & Tips

JAN.26th Julia Maria Keers

Het boek Op een Nacht van Anne Eekhout gaat over James, die bij zijn wakende leven de enige gevangene is in Het Panopticum.

Literair vragenvuur met Anne Eekhout

Terwijl er buiten behoorlijk wat mensen rondlopen met een grote mond wier ego’s net als bij zoete broodjes vooral van gebakken lucht zijn gezwollen, is Anne Eekhout juist het tegenovergestelde: nadenkend, vriendelijk en weloverwogen. Ze doet me in die zin een beetje denken aan Joy Mangano.

Events & News

NOV.30th Julia Maria Keers

Literair vragenvuur met Jente Jong

In deze serie probeer ik het dagelijkse literaire landschap in kaart te brengen door de huidige generatie jonge schrijvers, literaire critici en boekenliefhebbers aan de tand te voelen over hun relatie met die eeuwig betoverende en curieuze objecten: boeken.

Share this article

Author


Julia is een waterval van boeken, theefeestjes en gekke sokken. Ze heeft gewerkt bij een boekwinkel in Oud-Zuid, volgt een opleiding tot Yoga & Meditatiedocent in Naarden en verstopt zich graag in het middeleeuwse Leuven.

Comments