Books & Bubbles

NOV.16th Inspiration & Tips

Author

Literair vragenvuur met Kila van der Starre

In deze serie probeer ik het dagelijkse literaire landschap in kaart te brengen door de huidige generatie schrijvers, literaire critici en boekenliefhebbers aan de tand te voelen over hun relatie met die eeuwig betoverende en curieuze objecten: boeken. Wat zijn hun lievelingsboeken, gekke leesgewoonten en favoriete boekwinkels? Wat is het meest ontwrichtende of verwarrende boek dat ze ooit hebben gelezen? En met welke grote schrijver zouden ze wel een avondje willen stappen?

De helft van mijn slaapdronken neuronen spreekt ‘s ochtends nog vloeiend gibberish, maar als Kila van der Starre met haar kristalheldere blik verschijnt (die ogen, jeetje mineetje), realiseer ik me dat het de tocht naar Utrecht dubbel en dwars waard is geweest. We hebben elkaar al eens eerder zo vroeg ontmoet, tijdens een mondeling examen in het wonderschone Leuven. Toen waren we nog Vlaams en zaten met identieke schuine pony’s, donkere kleding en gedecideerde blikken in het Erasmushuis. Het is een mondeling waar ik met gemengde gevoelens aan terugdenk omdat ik mijn eigen inbreng vergat en als vanzelf in Kila’s verhaal werd meegetrokken. Dat had niet alleen te maken met die indrukwekkende blauwe blik, want zelfs de docenten hingen aan haar lippen. De schoolse overhoring transformeerde dankzij Kila al snel in een gepassioneerde intellectuele koffieclub. Ik denk om eerlijk te zijn dat het niet uitmaakt waar ze het precies over heeft, ik zou waarschijnlijk voor de geitenkaas honing wortelrolletjes met komkommer gaan (om volstrekt duistere redenen heb ik dit recept opgeslagen in m’n phone) wanneer Kila ze als dagschotel zou aanprijzen. Ik ken bijna niemand die zo weloverwogen, rustig en helder kan vertellen.

Kila van de Starre (1988) volgt een PhD aan de Universiteit van Utrecht over Nederlandstalige poëzie buiten het boek -voor haar promotieonderzoek heeft ze een beurs van het Nederlands Wetenschappelijk Onderzoeksinstituut kortweg het NWO gekregen- geeft optredens in het dichtersduo Kila&Babsie, volgde twee bachelors in Utrecht en de master-na-master in Litatuurwetenschappen aan de Universiteit van Brussel, Leuven én Gent (“Chaos, het was complete chaos”) en heeft inmiddels haar eerste blok als docent erop zitten (“Het is veel werk, wel ontzettend leuk”). Ze heeft deze dag met windkracht Westeros nog een aanzienlijke stapel papers na te kijken, maar heeft toch tijd vrij gemaakt om me in meta-posities, die goede oude ironie, Gerard Reve, de tragikomische cultuur van Candlelightgedichten en de ins&outs van poetry slams bij te scholen.

Wat is beslist het boek dat iedereen gelezen moet hebben voor hij of zij sterft?

“Ik zou sowieso een dichtbundel aanraden. Mensen zeggen soms dat ze uit principe niet van poëzie houden, maar dat vind ik zo apart, net alsof je zegt: ‘Ik houd niet van kaas of fruit’, er zijn zoveel verschillende soorten. Ik vind het wel moeilijk om te bedenken wat iedereen echt gelezen moet hebben, poëzie is moeilijk te parafraseren.” [Pauzeert] “Ademhalen onder de maan (2012) van Ingmar Heytze vind ik ongelofelijk sterk, ieder gedicht gaat over het thema einmal ist keinmal. Je had een potlood in je haar zou ik iedereen aanraden omdat het je aan het denken zet over het maken van keuzes, ergens spijt van hebben. Het is een liefdesgedicht dat terug naar het begin wordt gespoeld. Het is op zo’n kundige manier geschreven, ik denk dat veel mensen het kunnen waarderen.”

Wat vond je het meest ontwrichtende of verwarrende boek dat je ooit hebt gelezen?

“De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (1984) van Milan Kundera. Er zijn twee elementen in het boek die mijn kijk op het leven hebben veranderd. Zo is er een passage waarin Nietzsche wordt aangehaald. Kundera legt uit dat het heel moeilijk is om keuzes te maken, maar dat het eigenlijk niet uitmaakt wat je kiest omdat je nooit zal weten hoe het zou zijn geweest als je iets anders had gekozen (tenzij je naar parallele planeten zou kunnen reizen, maar die zijn lastig te bereiken). Het maakt dus niet uit wat je beslist. Dat vond ik zo’n bevrijdend inzicht, daar denk ik nog vaak aan. Als ik voor een belangrijke keuze word gezet, dan denk ik: je kan er heel moeilijk over doen, maar maak je keuze en ga er gewoon voor. Ik begeleid nu in een alumni-mentorenproject een student van Taal en Cultuurstudies en toen ze aan het worstelen was met grote keuzes raadde ik haar De ondraaglijke lichtheid van het bestaan aan. Het heeft één hoofdstuk wat me bijzonder aansprak: ‘Klein woordenboek van onbegrepen woorden’, waarin twee personages constant communicatieproblemen hebben, omdat ze totaal andere definities aan sommige woorden geven. De verteller legt de verschillende betekenissen die ze aan dezelfde woorden geven, zonder dat ze dat van elkaar weten. Het liet me stilstaan bij het feit dat taal eigenlijk een heel onpraktisch iets is, het is glibberig, dat is wat literatuur zo boeiend maakt.”

Welke drie boeken moeten absoluut mee naar een onbewoond eiland?

“Ik zou complexe werken meenemen omdat je daar lang op kunt teren. Ten eerste zou ik De Alfa-cylus (1980) van de Vlaamse schrijver Ivo Michiels meenemen. De Alfa-cyclus zit tussen poëzie en proza in, het is erg beeldend, filmisch en ritmisch. Sommige mensen vinden dat irritant maar ik vind het prachtig. Dat geldt ook voor House of Leaves (2000) van Mark Z. Danielewski, een roman die eigenlijk een game is op papier. Ik zou daarnaast Howl (1955) van Allen Ginsberg meenemen. Het is zo’n dichte tekst, ik heb het laatst gebruikt om beeldspraak met studenten te bespreken en toen hebben we het anderhalf uur over tien voorbeelden van beeldspraak uit Howl gehad, zo lang kun je een tekst ontleden.”

Welk boek is door dik en dun altijd een steun en toeverlaat geweest?

“Als kind las ik ongelofelijk veel, ik denk daar nu met jaloezie aan terug. Mijn lievelingsboek was Toen stenen nog vogels waren (1999) van de Fins-Duitse schrijver Marjaleena Lembcke. Ik heb er op mijn twaalfde een boekbespreking over gehouden en er een tien voor gekregen, misschien was dat achteraf gezien wel het begin van mijn keuze voor de studie Literatuurwetenschappen. Ik schreef wel al poëzie, maar over literatuur praten had ik tot dan toe nog niet gedaan. Jaren later kreeg ik het boek van mijn vriend voor mijn verjaardag. Eerst was ik heel bang om het te herlezen, maar het was fantastisch, het heeft zulke prachtige fragmenten. Een klein jongetje genaamd Pekka is de verteller. Op een dag zegt zijn oudere broer: “Er ligt een cadeau voor je in de auto.” Vervolgens kijkt hij in de auto en ziet niets liggen, behalve een gitaar. Hij gaat terug naar zijn broer en zegt: “Er lag niets in de auto”, waarop hij antwoordt; “Pekka, de gitaar is jouw cadeau!” Het is allemaal zo hartverwarmend.”

Bij welk boek of gedicht kwam je thuis?

“Een van m’n lievelingsgedichten is Onder de appelboom van Rutger Kopland. Als ik zomers buiten zit herinner ik me de sfeer van dat gedicht, de beschrijving van de geluiden, de zon. De poëzieregels komen vaak in me op wanneer ik door Utrecht loop of iemand iets hoor zeggen in de bus, het beïnvloedt de manier waarop ik dingen zie. Veel poëzie heeft me anders naar de wereld laten kijken.”

Hoe zou je je eigen boekenverzameling omschrijven?

“Ik heb bijna alleen maar poëzie. Het voordeel is dat de bundels dun zijn, ze nemen weinig ruimte in. Mijn vriend is kunstwetenschapper, dus we hebben veel zware kunstboeken over de moderne kunst. Ik verzamel ook veel poëzie buiten het boek. Ik heb een kast vol met poëzie op fietshoesjes, telefoonkaarten, vuilniszakken, kussenslopen, pennen en zakdoekjes. Ik lees vooral hedendaagse Nederlandstalige gedichten. Daarnaast lees ik veel bloemlezingen die worden uitgegeven door Poetry International. Ze maken ieder jaar aan de hand van een thema bloemlezingen van poëzie over de hele wereld. De bundels zijn zorgvuldig samengesteld en heel mooi vormgegeven. Laatst heb ik bijvoorbeeld een bloemlezing van postmoderne Perzische poëzie gevonden.”

Hoe is het om in dichtersduo Kila&Babsie te zitten en in Nederland&Vlaanderen op te treden?

“Geweldig. Babette en ik zijn tien jaar geleden begonnen, toen we zeventien waren. We kennen elkaar van de middelbare school in Ede. Tjitske Jansen kwam bij ons op school om een poëzieworkshop te geven en we werden uitgekozen voor een masterclass. We kwamen erachter dat we dezelfde stijl hadden. Veel vrienden zaten in bandjes en traden op tijdens open avonden, toen dachten we: we gaan ook het podium op. We zaten in het begin een beetje op de grens van theater en kregen vooral positieve reacties van de ouders van onze vrienden, maar we zijn de gedichten verder gaan uitwerken en veel gaan poetry slammen. Bij poetry slams zit er altijd wel iemand in het publiek die na afloop vraagt: “Hey, kom je ook bij ons optreden?” en op een gegeven moment kom je op literaire avonden, het is een sneeuwbaleffect. Babette is grafisch vormgever, dus uiteindelijk hebben we zelf een bundel gemaakt, Stereo. Die oplage van 75 was meteen uitverkocht, dus toen hebben we hem maar laten drukken, 500 keer. We hebben denk ik 90% van de dichtbundels na onze optredens verkocht. Het poetryslamcircuit is heel competitief, er wordt soms venijnig geblogd. Wij zijn uiteindelijk meer niet-competitief en meer voor ons plezier gaan optreden. Op een gegeven moment kon ik dankzij literatuurwetenschappen niet meer normaal naar poëzie kijken en Babette als grafisch ontwerper niet meer normaal naar vormgeving, dus we zijn nu opnieuw zelf een raar boek aan het maken.”

Hoe zijn je leeservaringen veranderd naarmate je ouder bent geworden?

“Ik heb als puber De avonden (1947) van Reve gelezen en ik vond het vreselijk. Ik dacht: is dít nou Nederlandse literatuur?, dat je bijna boos bent op de vorige generatie omdat je jezelf afvraagt hoe ze het in godsnaam een klassieker kunnen noemen. Ik heb het toen echt als statement niet uitgelezen. Maar op m’n twintigste heb ik het herlezen en toen vond ik het fantastisch; het was zo slim, grappig en kritisch. Ik denk dat het voor een puber nog moeilijk is om ironie te begrijpen, te herkennen en te waarderen. Toen ik De avonden voor het eerst las vond ik de sfeer zo naargeestig dat ik dacht dat er een moord gepleegd ging worden, maar er gebeurde geen reet. Pas later drong de ironie tot me door. Ik kon zien dat Reve het als jongeman had geschreven, vlak na de desastreuze impact van de Tweede Wereldoorlog. Verveling is bovendien een groot thema. Wij zij een heel anderen generatie, want wij kennen geen verveling. Ik merk nu ook bij mijn studenten dat ze nog niet boven de teksten uit kunnen stijgen en dan zie je gewoon veel niet. Ze proberen bij gedichten snel een sluitende interpretatie te geven, een lezing te forceren als het moet, zelfs als het overduidelijk een experimenteel gedicht is wat zich niet helemaal laat uitleggen.”

“Het kunnen innemen van een metapositie is moeilijk als je jong bent; het heeft vooral met reflectie te maken. Literatuur is echt iets moeilijks, want je moet op het goede moment mensen de goede boeken voorschotelen, anders gaat het mis. Het ging bij mij ook wel eens mis, terwijl ik uiteindelijk literatuurwetenschapper ben geworden. Als ik ergens in de dertig ben ga ik De avonden nog een keer lezen en kijken wat ik er dan van vind. Ik denk dat het belangrijk is dat je kinderen eerst kleine teksten laat lezen en vraagt wat ze ervan vinden, dat je als het ware naar de klassiekers toe bouwt, dan kunnen ze best wel gewaardeerd worden door jongeren. Je moet iemand niet meteen Lucebert laten lezen, want het is altijd moeilijk om een gedicht esthetisch te waarderen als je het niet begrijpt. Laat ze eerst Judith Herzberg lezen.”

“Jan van Veen leest al bijna een halve eeuw op de radio in het programma Candlelight iedere avond gedichten voor van luisteraars, iedereen zeikt die gedichten altijd af. ‘Candlelight poëzie’ is een normatief synoniem voor ‘slechte poëzie’. Onlangs las ik echter een column van een CKV-docent die dacht: ik geef de leerlingen eerst Candlelightgedichten om te bespreken waarom dit slechte poëzie is. Daarna geef ik ze gedichten van Nijhoff en praten we over goede poëzie, maar uiteindelijk is de poëzie van Nijhoff helemaal niet aan bod gekomen omdat de jongeren de Candlelightgedichten zo fijn vonden. Candlelightboeken zijn trouwens de meest geleende boeken in gevangenisbibliotheken (het grootste probleem is dat de gevangenen er gedichten uitscheuren om naar hun familie te sturen). Zelfs in de bibliotheek in Utrecht zie je dat mensen Candlelightgedichten stiekem uit bundels scheuren, ik weet niet of ze dat voor Valentijnsdag doen of zo’n gedicht op hun wc ophangen, maar het is fascinerend.”

Zijn er dichtbundels die je meerdere keren hebt gelezen en wat viel je bij zo’n nieuwe lezing op?

“Ik herlees dichtbundels vaak. Cognitief onderzoek heeft uitgewezen dat je poëzie vele malen langzamer leest dan andere teksten. Als ik een gedicht analyseer lees ik het zo dertig tot veertig keer. Ik heb de bundels van Astrid Lampe (een post-postmoderne dichter) eindeloos herlezen, en bij iedere lezing haal ik er iets nieuws uit. Haar poëzie is redelijk fucked up. Bij poëzie let je specifiek op de vorm, maar als literatuurwetenschapper zijn er zoveel facetten van een tekst waar je je op kunt richten, Je wordt opgeleid om goed te lezen en die vaardigheid kan je ook gebruiken buiten de literatuur, want je kan net zo goed een close reading toepassen op de krant. Je wordt een kritisch denker.”

Klopt het dat literatuur vanuit jouw ervaring een bedreigde diersoort aan het worden is, of is dat een drama van alle tijden?

“Vanaf de romantiek komt die discussie telkens weer op: ‘Literatuur is dood, de auteur is dood, de poëzie is dood’. Dan krijg je weer verdedigingen, die worden ook doorlopend geschreven. Wat ik voornamelijk in mijn onderzoek zie is dat het afhangt van je perspectief. Als je alleen naar de boekverkoop kijkt dan is poëzie dood, maar als je bestudeert hoe poëzie buiten de boeken leeft, dan is het overal. Hoeveel mensen grijpen wel niet naar poëzie bij grote gebeurtenissen, schrijven zelf gedichten, bloggen, gaan naar poetry slams… Het is kortzichtig om te stellen dat de poëzie dood is. Ik moet tegenwoordig aan Kenneth Goldsmith denken, een conceptuele dichter uit Amerika die zich bezighoudt met ‘uncreative writing’. Hij gebruikt alleen maar bestaande teksten die hij ongewijzigd publiceert en voorleest als poëzie. In een interview zei hij: “Dit is zo’n tijd waarin we zeggen dat literatuur dood is, maar als we terugkijken zullen we zien dat dit juist de periode was waarin we enorm veel lazen, alleen herkennen we nog niet dat veel vormen hiervan in potentie literair zijn. We zullen over een paar jaar waarschijnlijk terug kijken en denken: die waren echt gek, dat ze dat niet eens zagen!” We blijven vasthouden aan een medium dat in de middeleeuwen is uitgevonden, het papieren boek. We lijken vaak te vergeten dat dat medium ook ooit nieuw was en tegenstand opleverde (ik moet dan altijd denken aan deze geweldige Noorse sketch. Hoe langer je over de speciale positie van het medium ‘boek’ nadenkt, des te absurder het wordt.”

Je hebt een positieve houding tegenover de e-reader? [Kila is de eerste persoon die ik heb ontmoet in deze serie die niet gruwelt van de e-reader]

[Schouderophalend] “Het is één van de manieren om teksten tot je te nemen. Ik heb laatst met studenten een groot woordenweb gemaakt om de plekken waar je poëzie tegenkomt in kaart te brengen, dat hebben we uitgeschreven. Ik had het opgedeeld in oraal en schriftelijk, en het papieren boek bleek uiteindelijk een zijtakje van een zijkantje. De rest van boom was gevuld met de het podium, de geluidsdrager, de openbare ruimte, de televisie, het internet, het lichaam, posters, kaartjes, en zelfs gebarentaal en gememoriseerde gedichten; dat alles vormt samen het poëzie spectrum, de e-reader is daar maar een klein onderdeel van. Er is een fantastisch proefschrift geschreven door Juliet Fleming over poëzie in graffiti en tatoeages in de vroegmoderne tijd in Engeland. Zij stelt dat in de 16e en 17e eeuw de muur het meest gebruikte medium was voor geschreven teksten. Mensen schreven bovendien teksten op hun kleding, schoenen en spiegels, want bijna niemand had geld om papier te klopen. Dat klinkt nu hip en punk-achtig. Bij ieder medium dat wordt uitgevonden raakt iedereen altijd in de stress, mensen hebben ooit bezwaar gemaakt tegen de radio, want die drong de huiskamer binnen. Later ligt iedereen daarom in een deuk. Ik wil geen onderdeel zijn van dat kortzichtige conservatisme.”

Zijn er bepaalde taboes in de literatuur of onderwerpen waar van jou meer over geschreven mag worden, heb je het idee dat er onderwerpen zijn die schrijvers onbewust nog steeds schuwen?

“Binnen de poëzie is conceptual writing een groot taboe, mensen hebben de romantische opvatting dat literatuur origineel moet zijn. Maar als je erover nadenkt is er al zoveel tekst en taal, dat hoef je alleen maar te mixen. Kenneth Goldsmith heeft nieuwsberichten achter elkaar gezet en uitgetypt. Er ontstond een rel toen hij het autopsierapport van Michael Brown voorlas als poëzie. Mag je zoiets banaals als een autopsierapport verheffen tot kunst? Mag je als blanke spreken over een donker lichaam? Binnen de literatuurwetenschappen bestaat verder het taboe dat je als literatuurwetenschapper niet mag schrijven over boeken die niet als hoogstaande literatuur worden gezien, het achterliggende bezwaar is: ‘Hoe kan je iets zinnigs schrijven over iets wat een onderdeel van de populaire cultuur en daarmee dus zo slecht is?’ Bij Moderne Nederlandse Letterkunde staan ze wel meer in contact met de buitenwereld. Mijn collega’s gaan naar literaire podia en lezen Das Magazin om te kijken wat zich in de huidige literaire wereld afspeelt. Ik ben zowel dichter als literatuurwetenschapper en die twee werelden hebben elkaar nooit gebeten, maar eigenlijk is dat bizar. De correspondentie tussen de wereld binnen en buiten de universiteit is complex en terughoudend. Mijn promotor Geert Buelens is veel bezig met het openbreken van de universitaire muren en dat spreekt me enorm aan.”

Waarom ben je (denk je) als kind poëzie gaan schrijven?

“Ik vond het als kind erg leuk om met taal te spelen. Als je een naam ergens op laat rijmen vinden kinderen dat hilarisch omdat woorden aan elkaar gelijk worden gesteld, meneer is dan plotseling een koekenpeer. Ik heb een taalgevarieerde jeugd gehad. Mijn moeder is Engels, waardoor ik me al vroeg bewust was van het feit dat sommige woorden niet in het Nederlands bestonden, door die tweetaligheid kun je een meta-positie innemen. Ik heb als kind ook in Japan gewoond, toen leerde ik een taal erbij die ook op schrift heel anders was. Los daarvan schreef mijn Nederlandse opa veel poëzie en hij had een boekhandel, dus ik denk dat het ook wel in mijn genen zit. Toen ik zes was zat ik met mijn broertje op de achterbank met mijn oudoom uit Nieuw-Zeeland. We probeerde Hoedje van papier voor hem te vertalen, maar het paste niet op het ritme van de muziek en het rijmde niet. Toen zei hij: “Probeer het maar passend te maken”. Dat was een moment van reflectie waarin ik me realiseerde dat klanken arbitrair zijn en de relatie tussen taal en betekenis niet vastligt, de spanning in poëzie moet daar iets mee te maken hebben.”

Wat is dat precies met de spanning in de poëzie; waarom vergeet ik straatnamen terwijl ik de epistels van Adele moeiteloos kan opdreunen?

“Dat hangt samen met de muzikaliteit. Poëzie is metrisch en makkelijker om te onthouden. De rijmschema’s waren bouwstenen die je vroeger ook weer in een ander gedicht stoppen, dus de orale overleveringen waren eigenlijk een soort improvisatie rap-achtige teksten. Ik heb laatst studenten de opdracht gegeven om De wandelaar van Nijhoff te memoriseren, een metrisch gedicht op rijm. Het is heel rimtisch. Sommige mensen vonden het fijn om er gebaren bij te gebruiken, een andere student vond het in gebarentaal makkelijker te onthouden en één student heeft het helemaal op dans gezet. Een andere student onthield het het beste als raptekst, dus die heeft Nijhoff staan rappen. Niet alleen de de muzikaliteit, maar ook het performancegehalte zit in geschreven poëzie. De kracht van de performatieve aspecten van klank, rijm en ritme is dat ze in poëtische vorm niet verloren gaan, ook niet als je ze opschrijft.”

Kun je beschrijven waarom literatuur zo belangrijk is?

“Als je kijkt naar de manier waarop poëzie functioneert in de samenleving hoef je die vraag niet eens te stellen, dat hangt samen met alles waar wij het nu over hebben gehad. Het is overduidelijk dat mensen hun gedachten en emoties in een bepaalde vorm willen gieten, sommige mensen doen dat in de kunst of muziek, maar dat kan niet iedereen.  Het is een kleine stap om een talige vorm te vinden voor onze emoties. Ik weet dat een literatuurwetenschapper ooit over een Candlelightgedicht schreef: “Ze heeft gewoon haar emoties uitgespuwd op papier, alsof ze het aan de telefoon aan haar vriendin vertelt.” Maar toen dacht ik: nee, iemand spreekt niet in rijm aan de telefoon, niemand gebruikt regelafbrekingen in een e-mail. Het is niet zómaar een kwestie van emotie spuwen.”

Met welke (grote, gekke, idiosyncratische) schrijver zou je wel een avondje willen stappen?

“Met Sappho, de Griekse dichteres die leefde in de zevende eeuw voor Christus. Haar gedichten zijn gefragmenteerd overgeleverd waardoor ze er in de bladspiegel postmodern uitzien. De twee gedichten die nog intact zijn, zijn heel goed. Ze kwam van het eiland Lesbos, waarschijnlijk uit een soort vrouwenklooster. Plato noemde haar ‘de tiende muze’. Volgens de overlevering is ze uiteindelijk van een klif gesprongen, maargoed, weten wij veel, dat is al eeuwen geleden. De Grieken hielden poetry slams met een lier dus als ik Oudgrieks kon dan zou ik graag met haar willen slammen.”

Inspiration & Tips


#interview #literairvragenvuur

Read more articles

Inspiration & Tips

FEB.28th Julia Maria Keers

Shira Keller studeerde in 2008 af als theatermaker.

Literair vragenvuur met Shira Keller

Als ik het café binnenstap zit ze geheel in het Shira Kelleriaans met een petje op naast een kop koffie over haar notitieboekje gebogen, alsof de tijd haar is vergeten. Het winterlicht doorschijnt haar, maar dat staat haar goed. Ik word bevangen door een mengeling van bewondering en dankbaarheid.

Inspiration & Tips

JAN.26th Julia Maria Keers

Het boek Op een Nacht van Anne Eekhout gaat over James, die bij zijn wakende leven de enige gevangene is in Het Panopticum.

Literair vragenvuur met Anne Eekhout

Terwijl er buiten behoorlijk wat mensen rondlopen met een grote mond wier ego’s net als bij zoete broodjes vooral van gebakken lucht zijn gezwollen, is Anne Eekhout juist het tegenovergestelde: nadenkend, vriendelijk en weloverwogen. Ze doet me in die zin een beetje denken aan Joy Mangano.

Events & News

NOV.30th Julia Maria Keers

Literair vragenvuur met Jente Jong

In deze serie probeer ik het dagelijkse literaire landschap in kaart te brengen door de huidige generatie jonge schrijvers, literaire critici en boekenliefhebbers aan de tand te voelen over hun relatie met die eeuwig betoverende en curieuze objecten: boeken.

Share this article

Author


Julia is een waterval van boeken, theefeestjes en gekke sokken. Ze heeft gewerkt bij een boekwinkel in Oud-Zuid, volgt een opleiding tot Yoga & Meditatiedocent in Naarden en verstopt zich graag in het middeleeuwse Leuven.

Comments