Books & Bubbles

DEC.29th Events & News

Author

Literair vragenvuur met Roos van Rijswijk

“Een roman moet iets in je doen kantelen.”

In deze serie probeer ik het dagelijkse literaire landschap in kaart te brengen door de huidige generatie schrijvers, literaire critici en boekenliefhebbers aan de tand te voelen over hun relatie met die eeuwig betoverende en curieuze objecten: boeken. Wat zijn hun lievelingsboeken, gekke leesgewoonten en favoriete boekwinkels? Wat is het meest ontwrichtende of verwarrende boek dat ze ooit hebben gelezen? En met welke grote schrijver zouden ze wel een avondje willen stappen?

Het is een donkere dag op de Wibautstraat. Buiten is het zo waterkoud dat ik op mijn weg naar café Stek veel wegkrijg van een drijvend zeepaardje (we hebben eigenlijk alleen maar afgesproken bij café Stek omdat ik kippig ben en dacht dat dit de Beter & Leuk was op Googlemaps), maar binnen klinken gelukkig de warme psychedelische uitwasemingen van seventies progrock. Roos zit al klaar achter haar laptop in het roze Hermelien Griffel Prisoner of Azkaban vest (precies, dat vest) (ik heb heel 3VC praktisch gezien in dat vest doorgebracht).

“Je haar zit best goed,” zeg ik verbaasd terwijl ik een bordeauxrood klapstoeltje loswrik waarvan ik het naargeestige idee heb dat het plakt (ik kan niet geloven dat ík deze hipstertent heb uitgezocht). Na de column over haar laatste kappersbezoek (en de ontboezeming dat ze er na afloop uit pure wanhoop zelf met een schaar in heeft zitten hakken), hield ik er rekening mee dat ik iets zou aantreffen van een mengeling tussen Ziggy Stardust en een soort ontplofte kuifkip. Roos d’r coupe is echter piekfijn (als in: Audrey Tatou par excellence piekfijn), dus ze kan gewoon erg meeslepend schrijven. Bovendien glanst ze nog na van een weekend op het Crossing Border festival. Ze murmelt iets ten dank terwijl een paar onwaarschijnlijk blauwe ogen me observeren (R: “Het eerste kwartier bij VPRO boeken schijn ik alleen maar ‘Ja’ te hebben gezegd”).

Wanneer ik mijn décorum heb hersteld (“Het is vies”, “Het is een prima café”, “Het is hipster”, “Ik zit hier wel vaker”, “Ik vertrouw het niet”, “Mijn ei smaakte een beetje vreemd” ) en notities begin te krabbelen, kijkt Roos me aan alsof iets haar oprecht van het hart moet: “Ja?” “Wat heb je een vreselijk mooi handschrift”. “Thanks, ik ben links en hoor eigenlijk in van die volstrekt onooglijke hanenpoten te schrijven”. “Ik ben ook links”. We wisselen een Bonnie en Clyde blik. Roos kwam eigenlijk als volstrekt wildvreemd wezen spontaan de boekwinkel binnen gestuiterd voor een boek van Stephen King terwijl ik in een Velvet Paspop houding stond, maar we bleken allebei gek te zijn op griezelverhalen, postmodern versnipperd for life en hebben in een onbezonnen moment zelfs Spaanse straathonden (Zorro & Biss) in huis gehaald. Het voelt daarom alsof dit nieuwe geboefte er eigenlijk altijd al is geweest.

Roos van Rijswijk (1986) groeide op in Amsterdam Zuidoost, studeerde Nederlands en Literatuurwetenschap en werkte een poos bij boekhandel van Rossum. Ze schreef voor Advalvas (het magazine van de Vrije Universiteit), was redacteur van het literaire tijdschrift Tirade en publiceerde o.a. in De Revisor, De Gids, Das Magazin, de Correspondent en De Groene Amsterdammer. Ze is één van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korte verhalenbundel en recenseert voor het NRC Handelsblad. Haar debuutroman Onheilig verscheen in 2016 bij uitgeverij Querido en ontving de Anton Wachterprijs voor het beste literaire debuut. Over haar tweede roman kan ze nog niets verklappen omdat ze drie keer opnieuw is begonnen. Met de kunstenaar Niek Hendricks maakte ze onlangs samen het boekje Calligram. Haar verhalenbundel Wat ben ik meer dan stilte (spookverhalen vanuit een origineel perspectief) verschijnt in het voorjaar van 2018 eveneens als de novelle De olifant van de bovenbuurman (een indringend verhaal over de tapdansende olifant en aan karaoke verslaafde kangoeroe die boven haar woonden, want life).

Noem drie lievelingsboeken

Het Parfum (1985) van Patrick Süskind was lang mijn nummer één. Ik kocht het op mijn veertiende op de Uitmarkt voor vijf gulden en heb het daar ter plekke verslonden. Ik heb het jaarlijks herlezen tot ik op mijn vierentwintigste Nederlands ging studeren. Ik durf het nu niet meer op te pakken, want sindsdien zijn mijn literatuuropvattingen veranderd. Ik ben bang om mijn herinneringen te verpesten. Het Parfum is een bizar sprookje over iemand die ontzettend eenzaam is omdat hij niet als mens wordt gezien. Jean-Baptiste Grenouille is geboren op een markt in Parijs en heeft een bovenmenselijke reukzin. Eerst wordt hij genegeerd, maar hij leert de geur van mensen precies na te maken met kattenpoep en dat soort dingen. Zo begint hij faam te verwerven. De combinatie van het fantastische, absurde zowel als het gruwelijke (red: om het perfecte parfum te maken vermoordt Grenouille jonge vrouwen), spraken me erg aan.”

“In het verlengde daarvan vond ik de MaddAddam (2013) trilogie van Margaret Atwood (bestaande uit Oryx and Crake, The Year of the Flood en MaddAddam) geweldig. Het eerste deel Oryx and Crake (2003), speelt zich af in een post-apocalyptische samenleving waarin de wereld – uiteraard – aan de mens ten onder is gegaan. Ze beschrijft een futuristische wereld waarin genetisch gemanipuleerde mensen rondlopen en een nieuwe mensensoort ronddoolt die veel te perfect is maar niet ouder dan 25 jaar wordt. Dat soort speculatieve fictie kan ik wel waarderen.”

“Die twee titels wijken overigens wel af van een van mijn huidige lievelingsboek: Boven is het stil (2002) van Gerbrand Bakker. De eerste zin is: “Ik heb vader naar boven gebracht” of nee, “naar boven gedaan” zelfs. Het gaat over een zoon die op een boerderij woont met zijn vader en hij stopt zijn vader dus in bed omdat deze stervende is. Tussen de regels schemert door dat het wel tijd wordt dat die man eens doodgaat, ondertussen denkt de zoon terug aan een jeugdliefde, aan hoe hij op de boerderij terecht is gekomen omdat zijn broer is overleden. Het is contemplatief, barst van de mooie beschrijvingen van het landschap en is super realistisch. Het verstilde realisme staat juist haaks op Süskind.”

Nog even over Atwood: wat vond je van The Handmaid’s Tale?

“Het grappige is dat ik The Handmaid’s Tale (1985) pas heb gelezen na de MaddAddam trilogie, hoewel The Handmaid’s Tale een eerder boek is. Dat kon ik lezen: ik vond The Handmaid’s Tale ongepolijst. Wat ik trouwens soms wel van Atwood vind – en dat viel me ook op bij een recente roman – is dat ze ontzettend pamflettistisch kan schrijven. De boodschap in haar dystopische romans is eigenlijk één op één: “Dit is wat er kan gebeuren als de huidige nare tendensen doorzetten”. En ergens vind ik dat jammer, speculatieve fictie waarin de uitkomst per definitie desastreus is.”

“Dave Eggers heeft The Circle (2013) zo ook verpest. De boodschap was duidelijk: “Pas op voor de technologische ontwikkelingen, pas op voor het internet, let op je privacy!” Ja, dat er risico’s aan de technologie kleven weten we nu wel. Als je zo kwaad bent over de schending van onze privacy, schrijf dan een pamflet en geen roman. Ik vind dat literatuur namelijk pas echt interessant wordt als het een onverwachte kant van iets belicht. Ik denk dat Eggers dat in The Circle aanvankelijk wel geprobeerd heeft door een personage te introduceren dat de technologie compleet omarmt, maar vervolgens loopt het natuurlijk wel ontzettend slecht met die chick af. En dat zie je van mijlenver aankomen. Het was totaal niet verrassend. En dat is zonde, want een roman moet wel iets in je doen kantelen.”

Kun je boeken noemen die je wel enorm op het verkeerde been hebben gezet?

“Ik heb het altijd over dezelfde boeken – want boeken die je in een bepaalde periode van je leven ontdekt blijven gewoon hangen – maar in Ik was Amerika (2010) van Gustaf Peek komt een personage voor die fout was in de oorlog – nou ja oké, hij is eigenlijk het hoofdpersonage. Gevangengenomen in de oorlog en in een Amerikaans krijgsgevangenenkamp gezet, krijgt hij contact met een zwarte man. Die zit daar niet omdat hij een nazi was maar omdat hij zwart is (eyeroll). De roman begint pas een aantal jaar later, wanneer hij besloten heeft om zijn oude vriend weer op te zoeken. Tijdens de reis kom je er langzamerhand achter wat ze hebben meegemaakt en wat hij als ex-nazi op zijn geweten heeft. Het gekke is: je ontwikkelt in de loop van het verhaal een enorme sympathie voor die man. Dat vind ik iets wat literatuur moet kunnen. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat je in de literatuur per sé sympathie moet opwekken voor de bad guy, maar een hapklare moraal in het verhaal verpakken hoeft ook niet.”

Ben je van de school van l’art pour l’art?

“Het is niet of/of; er zijn natuurlijk genoeg geëngageerde – geëngageerd is ook een rotwoord trouwens, wat is niet geëngageerd? De werkelijkheid kruipt altijd binnen in een roman. Het zegt iets over de tijd waarin het geschreven wordt. Zelfs een historische roman kan nog iets zeggen over de tijd waarin het is geschreven. Ik heb net The Essex Serpent (2017) gelezen en besproken, een historische roman die zich afspeelt in het victoriaanse tijdperk. De centrale vraag in de roman is: “Hoe kunnen mensen nog in een monster geloven na Darwin?” De evolutietheorie heeft gezorgd voor de onttovering van fantasiebeesten. Maar voor een victoriaanse roman zijn de vrouwen erin ontzettend vrijgevochten, vijftig jaar geleden zou Perry ze niet als zulke powervrouwen hebben neergezet. Een politieke roman is natuurlijk wat anders. Maar dan kun je ook nog zeggen: het persoonlijke is politiek. Oh god, deze discussie is echt oeverloos.”

“Mensen moeten stoppen met roepen dat kunstenaars geëngageerd moeten zijn. Het is natuurlijk goed om over de wereld na te denken, maar het mondt er vaak in uit dat je het als kunstenaar “in deze” tijden verplicht bent om politiek geëngageerd te zijn. Het probleem is: “deze tijden” zijn er altijd. En je kunt het kunstenaars wel verplichten maar dat betekent niet automatisch dat hun werk er beter van wordt. Dan verwacht je iets van kunst wat je niet mag verwachten. Kunst is heel vrij toch? Kunst. Ik begin nu te bazelen. Los daarvan – om terug te komen op mijn eerste zin – zijn er ook genoeg goede politieke romans.”

Zou je een voorbeeld kunnen noemen van een boek dat je enorm heeft gevormd of een grote impact op je had terwijl het helemaal niet bedoeld was om een politiek statement te maken?

“Ik vind dat een moeilijke vraag want die wordt vaak gesteld en andere mensen hebben daar altijd een antwoord op, dat vind ik bewonderenswaardig. Ik ben niet anders gaan denken door het lezen van een bepaald boek. Ik lees ook nooit om antwoorden te vinden. Ik denk dat ik daar gewoon geen antwoord op heb, saai he?”

(Roos raakt op dit punt afgeleid door een Bolero beltoon: “Misschien ben ik ooit gehypnotiseerd geweest door deze tune en ga ik straks iets heel raars doen.”)

Ik geloof dat ik nog een latte nodig heb.

“Ik vind lezen vooral een esthetische ervaring en houd daarom van goede poëzie. Al is het natuurlijk subjectief wat goede poëzie is. Ik lees niet echt om te leren – misschien niet heel intellectueel van me – maar vooral om me eraan te kunnen vergapen wat mensen met taal kunnen en ervan te genieten. Stel dat je naar een optreden gaat van een knalgoede band en ze hebben er totaal geen lol in, dan zie je dat meteen. Zo kun je ook het schrijfplezier zien. Dan bedoel ik niet het zelfingenomen plezier wat zich uit in eindeloze en wollige zinnen, maar gewoon het plezier van het bespelen van verschillende registers. Ik heb toevallig net Zacht als staal gelezen (2010) van Richard De Nooy. Dat is zo’n soort boek waar het schrijfplezier vanaf spat. Misschien was hij wel diep ongelukkig toen ie het schreef, geen idee, maar ik las het als een boek dat met veel genoegen is geschreven.”

Je gaf aan dat je gek bent op poëzie. Heb je lievelingsdichters?

(Werpt psychonautic pigeon suprême blik) “Komt spontaan ff niks in me op. Mooi is dat. Zeg ik: “Ik lees graag poëzie!” Ik houd van de gedichten van Menno Wigman. Ik houd van zijn taal en lees zijn gedichten hardop. En de poëzie van Joost Baars vind ik heel goed. Hij schuwt het spirituele niet maar wordt nergens vaag; zijn gedichten hebben een religieuze ondertoon zonder echt religieus te zijn. De manier waarop hij omgaat met taal is ontzettend mooi.”

Welk boek is voor jou door dik en dun altijd een steun en toeverlaat geweest? Of is dat nu een hele schoolse vraag?

“Ik herlees over het algemeen weinig literatuur, behalve dan Boven is Het Stil van Gerbrand Bakker met die vader die op sterven ligt. Het is geen morele steun en toeverlaat, maar wel een literaire. Dat is ook zo met Het Parfum geweest. En de korte verhalen van Donal Ryan. Hij heeft de bundel Een stand van de zon uitgebracht en dat is zo’n bundel waarvan ik zeker weet: daar ga ik naar terugkeren. Al is steun en toeverlaat is een groot woord. Het Privé-domein van Clarice Lispector ligt altijd op mijn bureau of naast mijn bed. Ook weer die taal. En het feit dat ze soms zo onlogisch lijkt dat je hoofd zelf verbanden gaat leggen waarvan je niet wist dat je ze in je had. Heerlijk.”

Zijn er bepaalde taboes in de literatuur of onderwerpen waar van jou meer over geschreven mag worden?

“Ik weet niet of het een taboe is en bedoel dit niet als zelfplug – maar ik heb over een oudere vrouw geschreven – nou oké, zo oud is nou ook weer niet – tegen de zestig. Maar ik vind dat er over het algemeen weinig oude vrouwelijke personages als rond karakter neer worden gezet. We voeren ze altijd op in de rol van heks of breekbaar oud dametjes. Ik zou een bredere representatie van de vergrijzing leuk vinden. Al is het niet helemaal waar wat ik zeg, ik weet helemaal niet of ik dat leuk zou vinden. En technisch gezien zijn oude dames in de literatuur geen taboe. Zijn er taboes? Seks hebben we in Nederland wel gehad denk ik. Porno? Krijgen we Mutsaers en dat gezeik weer. Wie ben ik nou om te zeggen dat andere mensen ergens over moeten gaan schrijven? Als ik vind dat er te weinig over iets wordt geschreven, dan moet ik dat zelf doen. Ben wel voor meer diversiteit in de literatuur, maar goed ik ben een witte vrouw en dan bevind je jezelf al snel op het hellende vlak van culturele toe-eigening.”

“Kijk; in principe vind ik dat er in de literatuur geen taboes moeten zijn, maar of het ook aangenaam is om taboedoorbrekende werken te lezen is weer een tweede. In 2007 kwam Echt sexy van Renate Dorrestein uit. Het is een roman over de seksualisering van tienermeisjes, maar ik vond het nogal pamflettistisch. Op een gegeven moment loopt één van die vermoorde meisjes bovendien rond met haar vagina op sterk water. Toen dacht ik wel: “Jezus, je kunt shit er ook gewoon te dik bovenop leggen Dorrestein.”

“Haar laatste boek De Reddende Engel (2017) vond ik trouwens wel fantastisch. Het is zo’n boek over een eenzaam huis waar een raar gezin in woont bestaande uit een oma, een vader en twee dochters. En er is in het verleden iets mysterieus gebeurd met één van die dochters. Er komt een buitenstaander bij die familie terecht, een vrouw die oude boerderijen ombouwt tot Bed & Breakfasts. Op een nacht in een onweersbui rijdt ze zo van de weg af en dat terrein op. Zo heerlijk, dat unheimische. Ik heb er echt enorm van genoten. Dus ik moet niet zeuren over een boek dat ik minder sterk vond.”

Houd je van verhalen met het unheimische als drijvende kracht? (Daphe du Maurier, Edgar Allen Poe, Charlotte Perkins?)

(Begint te stralen) “Jazeker, Shirley Jackson vind ik fantastisch. Het gaat me niet om letterlijke horror, maar wel om de suggestie van iets vreselijks. Op De Jan van Eyck Academie heb ik trouwens spookverhalen geschreven. Het zijn zes verhalen en gedichten en het boekje komt in het voorjaar uit. (Rommelt in haar tas): “Ik kom net bij de redacteur (Erik Lindner) vandaan, dit wordt het: Wat ben ik meer dan stilte – verhalen van stilte. Eigenlijk wilde ik een essay schrijven over het belang van het persoonlijke spookverhaal, maar uiteindelijk is dat veranderd. Ik heb veel mensen geïnterviewd met de vraag of ze een persoonlijk spookverhaal hadden, dus geen geklets over de algemene legendes en mythes, maar meer de: “Ik werd een keer wakker en wie stond daar in mijn kamer? De dode neef van mijn opa” – naar dat soort verhalen was ik opzoek. Uiteindelijk heb ik die persoonlijke verhalen verzameld en herschreven vanuit het perspectief van het spook.”

Hoe vonden mensen het om hun spook anekdotes te delen?

“Veel mensen vonden het gênant om het over hun persoonlijke spookverhalen te hebben. Ik wilde in eerste instantie een essay schrijven over de narratieven waarin we spookverhalen aan elkaar vertellen. Mensen beginnen zo’n verhaal steevast met: “Ik ben heel nuchter”, “Ik geloof niet in God”, “Misschien heb ik het wel niet goed gezien hoor, maar -“. Mensen twijfelen vaak aan hun eigen zintuigen. Er is een soort stramien waar die verhalen inzitten. Ik begin zelf ook altijd met het feit dat mijn oma heel nuchter was en uit Friesland kwam voor ik vertel dat ze haar dooie buurman op een nacht in de gang heeft zien staan.”

En hoe was het om een geest te focaliseren?

“De meeste spoken in de verhalenbundel zijn best lief. Al is er één verhaal van een Italiaanse dame die ik sprak op de Jan van Eyck Academie. Ze had vroeger een oude kledingkast op haar kamer en daar klonk altijd gekras uit, alsof iemand met zijn nagels over het hout ging. Op haar zestiende – veel verhalen spelen zich af op die leeftijd, dan zijn mensen extra ontvankelijk voor griezeligheid – ging ze glaasje draaien. Het bleek dat er in haar kast een demon woonde die ZuZu heette. Ze vroeg: “Wat wil je?” En het antwoord was: “Je ogen.” Dat is toch fantastisch? Ze had ooit een oom gehad die priester was in Argentinië en daar kwam die kast vandaan. Eigenlijk is dat het enige verhaal waarin echt een verknipt, eng spook aan het woord is.”

Heeft ze die kast wel weggedaan?

“Nee, maar ze zei wel: “Als ik ooit iets aan mijn ogen krijg, dan weet ik zeker dat ik daaraan moet denken”. Mijn fascinatie voor spookverhalen is begonnen met het spookverhaal van mijn oma. Ze vertelde me vroeger eens dat ze wakker werd van geluiden in de gang, opstond en toen de buurman in de gang zag staan. Dus mijn oma vroeg: “Wat doet u hier?” En hij zei niets terug en bleef staan. Toen zei ze: “Buurman, ga maar terug naar huis. Ik zoek u morgenochtend wel even op.” Ze heeft hem de volgende dag bezocht, maar wie deed er open? Zijn dochter, want de buurman was die nacht overleden. Hij was al dood toen dat gebeurde. Ik heb later mijn familie afgebeld met de raag of ze meer wisten van dat verhaal, maar niemand wist er iets van. Nu begin ik dus aan mezelf te twijfelen: of ik zelf een spookverhaal van mijn oma heb verzonnen. Maar goed, met spookverhalen maakt dat niet uit, want dat weet je natuurlijk nooit.”

“Een mooi boek is The Haunting of Hill House (1959) van Shirley Jackson. Het gaat over een vrouw die naar aanleiding van een advertentie in de krant naar een oud kasteel vertrekt waar een wetenschapper een slaaponderzoek doet. Het lijkt er te spoken. Niets wordt expliciet: er heerst een voortdurende dreiging. Er is trouwens een verschrikkelijke film van gemaakt, die was echt om te huilen.”

Spookverhalen zijn weer in opkomst of niet?

“Mensen zijn inderdaad meer sciencefiction, speculatieve fictie en spookverhalen aan het schrijven. Er is een Shirley Jackson revival, Lincoln in The Bardo (2017) van George Saunders heeft onlangs de Booker Prize gewonnen. Ik weet niet of de werkelijkheid te braaf of juist te woelig is, maar ik denk weleens: “Jezus christ, er is zoveel aan de hand. Eerst Trump aan de macht, nu die geschifte regering hier, op de achtergrond de constante dreiging van de klimaatverandering. Misschien geven spookverhalen de mogelijkheid om dat allemaal op een literaire manier te channelen. Of misschien vormen ze juist een uitweg om even om al die shit heen te schrijven. Ik heb net Solar Bones gelezen van Mike McCormak. De hoofdpersoon is een man die tijdens het overdenken van zijn levensverhaal langzaam beseft dat hij gestorven is. Het boek is één lange zin, heeft ritme en bijzondere woordkeuzes die de beelden precies kloppend maken. Subliem.”

Hoe kwam je op het idee voor je debuutroman Onheilig?

“Eigenlijk ben ik eraan begonnen omdat ik twee mannen kersen zag plukken in een boom in Duitsland.”

En?

“Nou zo”.

Roos…

“Ik was dus drie maanden Writer in Residence op de Jan van Eyck Academie in Maastricht en het grappige is dat je daar veel kunstenaars spreekt, vaak kunstenaars die al enige naam hebben verworven en daar geadviseerd worden, die iedere week presentaties hebben en heel vrij praten over hun werk. Ik kan dat niet.”

Hoe vond je het op de Jan van Eyck Academie?

“Het was ontzettend fijn. Er is trouwens net een boekje uit dat ik samen met de kunstenaar Niek Hendrix heb gemaakt. Hij heeft beelden uit zijn archief gekozen en vroeg of ik ze van een tekst wilde voorzien. Het is een heel associatieve tekst geworden. Toen ik daarmee bezig was las ik net een nieuwsbericht over de gevonden onderzeeër. Ze hebben een tijdje terug een U-boot gevonden aan de kust van Oostende, een boot die tijdens de eerste wereldoorlog is gezonken, en die zat nog helemaal dicht. Dat betekende dat er nog drieëntwintig mannen inzaten, morsdood natuurlijk. Dat soort nieuwsberichtjes zijn in die tekst terecht gekomen.”

Wat voor kunst maakt hij?

Tricky dit. Hij schildert reproducties van bestaande beelden in zwart-wit, soms past hij ze aan, combineert hij ze. En daar zit een prachtig idee achter wat ik hier niet ga reproduceren, dat kan hij zelf veel beter. Ik was vereerd dat ik dit met hem mocht maken want ik vind zijn werk erg goed. Ik woonde tijdens mijn tijd aan de Jan van Eyck academie boven hem en hij ving met zijn vriendin Spaanse windhonden op; ze hielden steeds een hond bij hen thuis om geadopteerd te worden en ik heb die hond mee naar huis genomen. Ik heb een heerlijke tijd gehad toen ik schreef aan Onheilig, maar dit soort losse projecten zijn fijn omdat je kunt experimenteren. Bij een grote uitgever kom je daar niet zo snel mee weg. Ik werk nu weer aan een roman maar weet niet of ik er iets over te melden heb omdat ik drie keer opnieuw ben begonnen. En ik weet niet of je blij bent met mijn antwoorden omdat ik alles de hele tijd helemaal dood nuanceer. Heel postmodern is dat. Soms denk ik: “Ik zou wat meer een eenduidige mening moeten hebben ofzo.”

Tenslotte de laatste vraag: als je met een grote schrijver een avondje mocht stappen, met wie zou het zijn en wat gaan jullie doen?

“Ik hoef niet per se een date met een schrijver omdat ik het jammer vind om te weten wie er achter een boek zit. Maar gezien ik zijn boek net uit heb: ik ben heel benieuwd naar Richard de Nooy. Ik zou gewoon een kop koffie met hem gaan drinken. Als het ongemakkelijk wordt kunnen we tenminste ook weer weg. Ik moet wel ook eerst zijn laatste boek Van kleine helden lezen. Ik kan enorm genieten van mensen interviewen, maar ben verder best wel solitair. Zie mijn eigen vrienden eigenlijk ook al te weinig. Kunst kun je gewoon tot je nemen. Als je iemand ontmoet dan moet die persoon ook iets van jou, dan moet jij ook gezellig doen. En juist als je iemand erg bewondert kan het vies tegenvallen. Ik houd die bewondering liever vast. Oh fuck, de hond moet nog uit.”

De foto van Roos is gemaakt door Irwan Droog.

Events & News


#interview #literairvragenvuur #Roos van Rijswijk

Read more articles

Inspiration & Tips

JAN.26th Julia Maria Keers

Het boek Op een Nacht van Anne Eekhout gaat over James, die bij zijn wakende leven de enige gevangene is in Het Panopticum.

Literair vragenvuur met Anne Eekhout

Terwijl er buiten behoorlijk wat mensen rondlopen met een grote mond wier ego’s net als bij zoete broodjes vooral van gebakken lucht zijn gezwollen, is Anne Eekhout juist het tegenovergestelde: nadenkend, vriendelijk en weloverwogen. Ze doet me in die zin een beetje denken aan Joy Mangano.

Events & News

NOV.30th Julia Maria Keers

Literair vragenvuur met Jente Jong

In deze serie probeer ik het dagelijkse literaire landschap in kaart te brengen door de huidige generatie jonge schrijvers, literaire critici en boekenliefhebbers aan de tand te voelen over hun relatie met die eeuwig betoverende en curieuze objecten: boeken.

Inspiration & Tips

FEB.28th Julia Maria Keers

Shira Keller studeerde in 2008 af als theatermaker.

Literair vragenvuur met Shira Keller

Als ik het café binnenstap zit ze geheel in het Shira Kelleriaans met een petje op naast een kop koffie over haar notitieboekje gebogen, alsof de tijd haar is vergeten. Het winterlicht doorschijnt haar, maar dat staat haar goed. Ik word bevangen door een mengeling van bewondering en dankbaarheid.

Share this article

Author


Julia is een waterval van boeken, theefeestjes en gekke sokken. Ze heeft gewerkt bij een boekwinkel in Oud-Zuid, volgt een opleiding tot Yoga & Meditatiedocent in Naarden en verstopt zich graag in het middeleeuwse Leuven. Ze heeft haar master Comparative Literary Studies gecombineerd met vrijwilligerswerk op een kinderboerderij en wil ooit een literair debatcentrum voor verwaarloosde cavia’s beginnen.

Comments